‘T Speulheuske

Het klinkt als een klein paradijs. Wonen in het buitengebied van Helmond, in een voormalig jachthuis van een adellijke familie. Zo ver je kon kijken weiland en bos. Het hele jaar door buiten spelen, op een grote plak.
Toch nuanceert Jan Dirks (78) zijn jonge jaren in ’t Speulheuske. „Twintig minuten lopen naar de Leonardusschool. In de winter dwarrelde sneeuw door de dakpannen op mijn deken. De wc was in de stal. Ik wil terug naar vruuger, zeggen ze dan wel eens.”
Dirks grinnikt; zo erg was het nu ook niet. Ja, het was krap met zes man in een kleine woning. Maar zo was het eenmaal in de jaren veertig. En hun geboortehuis was best bijzonder. Vanwege de achthoekige vorm én de rijke historie.
In 1779 liet gemeentesecretaris Pieter de Leeuw ’t Speulheuse optrekken als jachthuis. Kort daarna namen de Kasteelbewoners van Wesselman het gebouwtje over. In de twintigste eeuw woonden er achtereenvolgens enkele families. De laatste was het gezin Dirks.
„In 1936 trokken onze ouwelui erin,” weet Jan nog. „Er was weinig keus in woningen. Mijn vader huurde het van Van den Hurk. Die had een boerderij naast ons.”
 
Oudste broer Wim (1931-1989) was er al. Jan zag in 1939 het levenslicht. Daarna kwamen Diny (1942) en Annie (1943). „Onze jongste zus Mariet zegt graag dat ze in het Speulheuske gemakt is,” vertelt Diny. Als Mariet in 1948 ter wereld komt, is de familie Dirks nog maar net verhuisd naar de Monseigneur Noijenstraat in de Leonardusbuurt. „Dat was een luxe. Een nieuw huis!”
Jan, Diny en Annie halen herinneringen op bij een maquette van ’t Speulheuske. 
Op verzoek van het ED bezoekt zij samen met Annie en Jan de maquette opnieuw, om verhalen van vroeger op te halen. „We hadden geen contact met de stad,” vertelt Jan. „Een keer per jaar mochten we naar de zomerkermis op de Markt, dat was het.”
Vader Cobus werkte bij Vlisco, moeder Marie deed het huishouden. Daartoe behoorde ook een flinke moestuin, enkele kippen en een varken. Dat veranderde na de slacht in kilo’s pekelvlees en worst.
Als het varken was gehemeld, mochten de kinderen in de kooi spelen. Diny heeft een foto van waarop zij als klein meisje zich vasthoudt aan de houten reling. „Dat noemden wij het looprek.” Wat deden de kinderen verder? „Niks als speulen,” aldus Jan. „Pindollen, rijpen, vlieger oplaten, daar had je de ruimte voor. In de oorlog lagen er Engelsen in de boerderij naast ons. Die hebben mijn hoofd nog kaalgeschoren. Kreeg ik twee repen chocola voor.”
 
In 1967 ging ’t Speulheuske ondanks protesten tegen de vlakte. Het was flink vervallen, met dank aan ‘baldadige jeugd’, zoals de krant destijds optekende. Nu staat er verzorgingstehuis De Pannehoeve. Ter herinnering aan ’t Speulheuske is ooit een monumentje opgericht bij residentie Haverveld aan de Jan Steenlaan. Maar, weet Diny: „Daar stond het helemaal niet, het was aan de Pannehoefselaan.”
Maquettebouwer Van Neerven luistert aandachtig mee. Aan de hand van getuigenissen uit eerste hand wil hij zijn schaalmodel verbeteren. Van Jan hoort hij dat de waterput niet links, maar rechts van de voordeur lag. Ook de indeling van de woning was anders: niet één grote kamer, maar een portaal, eetkamer, keuken, een aparte slaapkamer voor de ouders en een beddenkoets voor de kleine zusjes. En een kelder en een zolder, waar Jan sliep. „Het was wat hoger,” zegt Jan wijzend op de maquette. „Zal ik eens een tekening maken van hoe het er allemaal echt uit heeft gezien? Want zoiets blie altijd hangen.”